Onderweg naar Jinka stoppen we op de weekmarkt van Key Afar. Het is inderdaad een mooie en kleurrijke markt. Binnen no time heb ik gezelschap van een klein jongetje dat mijn hand vastpakt en niet meer loslaat. Hij is heel erg trots, want ik ben alweer de 4e farenji die hij in korte tijd ontmoet. We lopen wat over de markt, en daarna geef ik hem een flesje sinas op het terras. Even later komt het oudere broertje er ook bij. Hij spreekt wel een beetje Engels en met hem praat ik over school, zijn familie en zijn hobbies. Het blijkt dat de 2 jongetjes wezen zijn, ze worden opgevoed door mensen in het dorp. Ik zie nu ook dat het jongste jongetje een etterende wond op zijn arm heeft, iets waar een dokter bij moet komen, maar daar is geen geld voor. Het oudere jongetje vertelt dat hij graag voetbalt, alleen is de bal lek, en voor een nieuwe bal is ook geen geld.

Al die dingen grijpen me toch wel aan. Omdat ik zelf niks kan doen tegen de wond van het jongste jongetje, besluit ik voor 20 birr (+/- 2,5 Euro) een nieuwe bal te kopen. Ze zijn er allebei erg blij en trots mee. Een druppel op de gloeiende plaat, niet meer dan een gebaar maar ik moest toch wat doen.

De volgende dag staat een bezoek aan de Mursi op het programma, een van de meest fascinerende bevolkingsgroepen van Ethiopië.